Recent maakte een kennis mij via zijn website (www.openboeddhisme.nl) attent op een misbruikkwestie in Zuid-Frankrijk. Het ging om een boeddhistische monnik, die als spiritueel leraar is veroordeeld voor seksueel, financieel én machtsmisbruik binnen een groot boeddhistisch centrum.

Een van de oud-leerlingen klapte, na jarenlang  misbruikt te zijn, in een krant uit de school. Om kort een indruk te geven: de leraar was afwisselend warm en koud. Soms prees hij leerlingen buitensporig, dan weer vernederde hij hen in het openbaar. Wanneer de meester vernederde, dan was dat ‘om het ego op te lossen, om de leerlingen te zuiveren’. De ‘kracht’ van de meester was dat hij het concept ‘crazy wisdom‘ hanteerde: zijn eigen gekte zou van hem een wijze maken. Hoe grilliger, agressiever en respectlozer hij zich gedroeg, hoe meer dit bewijst dat hij een verlicht, alwetend persoon is, die boven elke sociale norm is verheven. Mocht je in hem slechts een man zien die zich misdraagt en die op allerlei manieren misbruik maakt van zijn macht, dan is je geest ‘verduisterd’. Onder deze dekmantel gebeurden tal van zaken die haaks stonden op het belangrijkste uitgangspunt van het boeddhistisch centrum en het boeddhisme in het algemeen: mensen onderwijzen en begeleiden naar spirituele verlichting, zeg maar naar ‘ontwaken’. De leraar kwam er decennialang mee weg.

Hoe is het toch mogelijk dat mensen met normale verstandelijke vermogens zich gedurende lange periodes zó laten manipuleren, misbruiken en beschadigen? Hoe kan het dat er niet veel eerder een belletje gaat rinkelen dat er iets niet klopt en dat bepaald gedrag ronduit absurd is? Waarom zijn mensen ‘bereid’ grenzen over te gaan die hun veel pijn en lijden bezorgen, en waarvoor ze zich achteraf wel voor de kop kunnen slaan?

Om te beginnen: dit is uiteraard niet de enige leraar die misbruik maakt van zijn machtspositie ten opzichte van leerlingen. Overal waar dergelijke machtsverhoudingen ontstaan, ligt gevaar op de loer, met name als leerling en leraar onbewust of nog onvoldoende bewust zijn. In ons voorbeeld gaat het om een boeddhistische leraar, maar het is evident dat dit ook, in meer of mindere mate, gebeurt binnen sportverenigingen, kerkgenootschappen, tijdens tantraworkshops et cetera. Een vrij constante factor: hoe kwetsbaarder leerlingen zijn en hoe ‘ondefinieerbaarder’ de discipline van onderricht is, hoe moeilijker het voor deelnemers is om de natuurlijke grenzen te bewaken en te ontdekken wat nog ‘normaal’ is. Zo is het voor voetballers eenvoudiger om de kaders binnen een training te voorvoelen dan voor boeddhistische of tantraleerlingen, waarbinnen de onderwijsmethodes toch bepaalde ‘schemergebieden’ in zich herbergen.

Dat grenzen door leraren bij leerlingen kúnnen worden overschreden, heeft diverse oorzaken. Wát maakt leerlingen precies zo kwetsbaar? Misbruik wordt onder meer veroorzaakt door, zojuist al gememoreerd, onwetendheid. ‘Het zal er wel bij horen’, kan er gedacht worden als er iets gebeurt waar potentiële slachtoffers hun vraagtekens bij zetten. ‘Laat ik daarom ook maar geen spelbreker zijn. De ervaren leraar zal het met zijn enorme status en kennis wel weten, hij heeft vast het beste met mij voor. Niet zo moeilijk doen dus’. Bij kinderen en jonge mensen zou je onwetendheid ook wel naïviteit of onschuld kunnen noemen. Kinderen hebben over het algemeen nog niet eens de káns gehad om bewustzijn te ontwikkelen en zijn derhalve nóg kwetsbaarder als het gaat om het beschermen van zichzelf tegen misbruik door volwassenen. Het misbruik heeft daardoor vaak ook grotere impact en kan levenslange schade toebrengen.

Een ander aspect dat een belangrijke rol speelt binnen met name spirituele en religieuze gemeenschappen: veel leerlingen voelen zich niet ‘compleet’. Er zit ergens pijn. ‘Hier’ zijn, maar ‘daar’ willen komen, zo zou je het ook kunnen omschrijven. Daarom zijn kwetsbare mensen soms op zoek, vaak naar iets buiten zichzelf. Ze sluiten zich derhalve aan bij verenigingen, kerkgenootschappen en centra, nemen deel aan workshops, die hun compleetheid, rust, geluk en innerlijke vrede moeten gaan bezorgen. Men is bereid hier heel ver voor te gaan. Soms té ver dus.

Competitie kan ook een rol spelen in de drang naar groei. De spirituele groei is dan gebaseerd op de, soms onbewuste, egoïsche vergelijking met anderen. ‘Kijk mij eens groeien, ik ben al bewust, verder dan jij’. De persoon, beter gezegd ‘zijn ego’, dénkt dat hij iets weet wat de ander niet weet, voelt zich daar senang bij. Ook dit gevoel van uniek zijn, van afgescheidenheid, geeft onbewuste mensen veel voldoening en is een reden om grenzen te overschrijden. Je wilt immers je ‘voorsprong’ behouden. Uiteindelijk zit hier een diepgeworteld gebrek aan zelfliefde in verweven. Waarom zou je je anders willen onderscheiden van anderen?

Dit gezegd hebbende: een van de belangrijkste factoren bij misbruik is een gebrek aan zelfliefde, dan wel zelfacceptatie. Dit maakt een leerling ontzettend kwetsbaar. Gebrek aan zelfliefde verschaft de leraar heel veel mogelijkheden om zijn leerling te misbruiken. Iemand met een gebrek aan eigenwaarde vindt het bijvoorbeeld moeilijk om voor zichzelf op te komen, zal niet snel actie ondernemen, zeker niet in groepsverband. Daar voelt deze persoon zich niet sterk genoeg voor; hij of zij mag er niet voldoende zijn van zichzelf. Daarom maar liever geen kritische vragen, je wilt immers niet verstoten worden, je hebt de groep nodig voor je ‘onware zelf’.

Door een te geringe zelfacceptatie heeft de kwetsbare persoon ook nog eens een vertekend zelfbeeld, ook wel ego genoemd. Door het ego is de leerling bijvoorbeeld uitermate gevoelig voor de ‘persoonlijke aandacht’ van de meester, die hem of haar speciaal heeft uitgekozen – zo denkt het ego – om hem of haar te begeleiden. Het voelt goed om zo gewaardeerd te worden; de liefde en aandacht van de meester maakt de leerling weer compleet, zo wordt gedacht. Dat moet in stand worden gehouden en daarvoor moet worden gestreden, dat mag best iets ‘kosten’. Overigens kan een ego evengoed vernederd worden, dat kan een motivatie zijn om nog beter de best te doen, lees: nog meer toe te laten, in het verlangen om ‘goedgekeurd’ te worden, er te mogen zijn. Het resultaat blijft hetzelfde: het misbruik wordt in stand gehouden.

Wat deze leerlingen zich niet realiseren is dat groei alleen van binnenuit kan gebeuren en niet kan worden bereikt door externe invloeden. Natuurlijk kan een leraar of trainer vanuit zijn eigen bewustzijn en spiritualiteit een rol spelen in de persoonlijke en spirituele groei van mensen, maar  die rol kan niet meer zijn dan een richtingaanwijzer. ‘Kijk daar’, zo zou je hun rol kunnen omschrijven. Ze wijzen je aan waar de pijn en mogelijkheid tot verlichting zit, waar je kan kijken om te kunnen groeien. De groei zélf vindt van binnenuit plaats, daar kan een leraar, trainer of goeroe niets aan bijdragen. Het zit uiteindelijk allemaal in de leerling zelf, die dit op het moment van het misbruik niet of slechts marginaal beseft.

Laat je als leerling dus niets wijsmaken door leraren die met gladde praatjes of door tal van onnatuurlijk aanvoelende handelingen jou proberen te overtuigen van het  belang van hún bijdrage aan jouw welzijn en groei. Vaak is je voorgevoel dat iets niet klopt juist. Bij twijfel: stél vragen, wees niet bang om ‘te falen’. Het gevoel om te kunnen falen is een egoïsche gedachte in je hoofd, een gedachte die je echter niet bént. Identificeer je dus ook niet met je gedachten. Je kúnt niet falen! Een bewuste leraar zal je je kritische houding ook zeker niet kwalijk nemen. Sterker, je zal van een bewuste trainer waarschijnlijk complimenten ontvangen, omdat je er in al je kwetsbaarheid mag zijn van jezelf. En is dat laatste uiteindelijk niet waar het om gaat in het leven: er volledig mogen zijn vanuit een onvoorwaardelijke zelfliefde en zelfacceptatie, bereikt door overgave aan ‘wat is’ en het loslaten van overtuigingen en identificaties?

Tot slot: de leraar die de leerling misbruikt is het tegendeel van wat hij onderricht. Hij is net als de leerling onbewust. Je zou dus kunnen zeggen dat ook hij of zij er niets aan kan doen (maar wel verantwoordelijk voor is!). Een daadwerkelijk bewuste leraar of trainer zal nóóit een leerling misbruiken. Doet een leraar dit wel, dan handelt deze vanuit ‘pijn’, die vergelijkbaar is met de pijn van de leerling. De leraar heeft zich bijvoorbeeld geïdentificeerd met zijn rol als leraar en zoekt via zijn leerling naar compleetheid. Identificatie is de valkuil van heel veel onbewuste leraren: het ego gaat met hen aan de haal. In dat opzicht hebben de pijnlichamen van leraar en leerling veel met elkaar gemeen: ze hebben elkaar nodig om in stand te worden gehouden. Pas als een van de twee bewust wordt, liever nog allebei, als de pijn té heftig wordt, realiseren ze zich dat ‘misbruik’, in wat voor vorm dan ook, niet bij het pad van de groei hoorde en nooit zal horen …